Regulatie van emoties (emotiebrein ofwel ‘zoogdierenbrein’)

Emotieregulatie is een vaardigheid die kinderen op jonge leeftijd leren. Het houdt in dat ze rond de leeftijd van 6 of 7 jaar
weten dat ze een emotionele reactie ergens op hebben en weten wat de emotie is; dat ze de emotie op een gezonde en duidelijke manier uiten en de emotie zo kunnen reguleren dat dat ze ook weer kalm worden.

Baby’s en peuters kunnen hun emoties nog helemaal niet reguleren. Zij zijn afhankelijk van hun opvoeder om te ‘co-reguleren’. Door de manier waarop de opvoeder de emoties voor het kind reguleert, leert het kind hoe het rustig kan worden. Het brein wordt getraind hoe het in de toekomst kan reageren. Door co-regulatie leren jonge kinderen:
‘mijn gevoelens zijn oké’, ‘mijn gevoelens zijn te hanteren’, ‘mijn gevoelens doen me niets aan’, ‘mijn gevoelens duwen anderen niet weg’, ‘door mijn gevoelens word ik niet weggeduwd door anderen’.

Als een jong kind dat steeds moet huilen, niet wordt getroost, omdat hij zorgt voor paniek bij de opvoeder en vervolgens wordt geslagen, genegeerd, of uitgescholden, dan leert hij ‘mijn gevoelens zijn gevaarlijk, ze doen anderen pijn, of doen mijn pijn’.Dit wordt een negatieve overtuiging als het gaat om het ervaren en uiten van emoties. Het deel van het brein dat zorgt voor de emotieregulatie ontwikkelt zich dan niet zoals het zou moeten.

Het gevolg kan zijn dat het kind komt vast te zitten in de peuterfase als het gaat om emotieregulatie; het kind kan dan nog niet zijn eigen emoties reguleren en heeft een vertrouwde volwassene met een kalm brein nodig om te co-reguleren, en zo weer rustig te worden.

Bij een ontwikkelingstrauma – ook al zijn deze kinderen soms al veel ouder – zien we vaak dat het brein nog letterlijk hetzelfde is als bij een peuter wanneer het gaat om de emotieregulatie. Vaak laat het kind tegendraads koppig gedrag zien en/of reageert ‘overdreven’ bij kleine tegenslagen of veranderingen. Het kind huilt, schreeuwt, mokt, stampt met voeten, slaat met deuren, rent weg, explodeert zonder waarschuwing en kan zichzelf niet geruststellen of kalmeren.

Ook ontwikkelt het kind vaak ongezonde coping-strategieën om zichzelf in het dagelijks leven staande te houden. Deze gedragingen hebben de functie om zichzelf enerzijds te stimuleren, te prikkelen en zichzelf ‘wakker te maken’ van het gevoel van ‘niet voelen van binnen’. Of hebben anderzijds juist de functie om zichzelf te troosten, te kalmeren als reactie op de voortdurende overprikkeling (stress, angst, verdriet etc.). Het kan gaan om bijvoorbeeld duimen, hoofd bonken, nagelbijten, huid of haar ‘plukken’, zelf verwondend gedrag (automutilatie), middelengebruik en/ of seksueel-opzoekend gedrag.

Het “lastige” peutergedrag is wat de buitenwereld ziet en waarop wordt gereageerd. De emotionele vraag, de onderliggende behoefte is niet direct zichtbaar waardoor het kind vaak niet krijgt wat het werkelijk nodig heeft. Binnen onze behandeling staan we hierbij uitgebreid stil. Als opvoeders en leerkrachten kunnen reageren op de emotionele leeftijd van het kind (en niet op hun werkelijke leeftijd) kan het kind de co-regulatie door een volwassenen alsnog ervaren en kan het kind de vaardigheid die ze zo missen op termijn alsnog leren.