Regulatie van gedrag – Window of Tolerance (emotiebrein)

Ieder mens heeft een ‘Window of Tolerance’ ofwel een raampje van tolerantie.  Als je in je raampje bent kun je emoties en indrukken verwerken en een plek geven. Er is dan sprake van een optimaal spanningsniveau.

Een kind dat binnen het raampje kan blijven, zit lekker in zijn vel, is opgewekt en ontspannen. Hierdoor heeft het kind een veilig en kalm gevoel, en voldoende ruimte om zich positief te ontwikkelen. Het kind kan liefde geven en ontvangen, op een positieve manier samen zijn met anderen en daarbij oog hebben voor wensen of gevoelens van de ander. Emoties en sensaties die binnenkomen kan een kindop een goede manier verwerken en omzetten in passend gedrag.

In dagelijkse situaties kan het kind het optimale spanningsniveau vasthouden of daar zelf weer in terug komen. Bijvoorbeeld als het kind plotseling door iets wordt opgeschrikt, dan gaat het spanningsniveau even omhoog. Als het kind vervolgens weet wat er aan de hand is of weet wat het er aan kan doen, en alles is weer veilig , dan daalt het spanningsniveau weer naar beneden. Het kind heeft controle over zichzelf en blijft dan binnen het raampje. Met hulp van opvoeders of via zelfregulatie kan het kind weer terug komen op het optimale spanningsniveau. Ieder kind heeft een uniek “raampje van tolerantie”; het raampje verschilt met een eigen onder- en bovengrens.

Soms gebeurt er zo iets onverwachts of ingrijpends, of het brein denkt dat er iets gaat gebeuren, dat de spanning heel hoog oploopt. Het kind verliest dan de controle waardoor het  buiten het raampje gaat. Iemand kan net buiten  of helemaal buiten het raampje worden geduwd wat kan leiden tot milde of extreme reacties. Dit kan op 2 manieren gebeuren.

Een kind kan aan de bovenkant uit het raampje gaan en in een overactieve toestand komen, ook wel hyper-arousal genoemd; het brein geeft de boodschap “ik ben in gevaar”’ en zet het lichaam aan tot vluchten of vechten. Aan de buitenkant kan een kind angstig, agressief, geagiteerd of bepalend lijken. Van binnen kan het kind zich juist onveilig voelen, bang en verward zijn.

Of het kind gaat aan de onderkant uit het raampje, ook wel hypo-arousal genoemd; het brein ziet dan geen andere mogelijkheid meer dan te bevriezen of het gevaar te ondergaan. Van de buiten kant lijkt een kind teruggetrokken, stil, moeilijk bereikbaar, emotieloos, inactief of onproductief te zijn. Het kind is niet in staat om te leren, te relativeren en/ of adequaat te reageren. Aan de binnenkant kan een kind zich uitgeschakeld, leeg of gevoelloos voelen.

Bij zowel hyper- als hypo-arousal versnelt de hartslag van het kind. De eetlust kan verminderen, het kind kan buik- of hoofdpijn hebben,  gaan trillen, koud of warm hebben, of buitensporig reageren op ieder klein detail in zijn omgeving.

Een kind dat kampt met de effecten van chronische traumatische ervaringen raakt sneller en vaker buiten zijn raampje en wordt steeds weer overspoeld door emoties. Hetkind heeft een gevoelig of versmald Window of Tolerance ontwikkeld, waardoor het kind geen tot weinig controle heeft over zijn gedrag. Het kind krijgt zijn reacties simpelweg niet onder controle, hoe hard hij ook werkt; het is geen onwil maar onmacht.Het kind reageert primair vanuit een overlevingsmodus en kan niet meer nadenken en tot oplossingen komen. Zonder steun en sturing van vertrouwde volwassenen met een kalm brein verliest het kind steeds weer het gevoel van veiligheid en/of het overzicht over situaties.

In reactie hierop kan het kind situaties, personen of emoties gaan vermijden en laat moeilijk te sturen gedrag zien, hierdoor wordt de ontwikkeling en de relatie met de omgeving negatief beïnvloed. Het kind kan te weinig rust en ruimte ervaren om nieuwe ervaringen op te doen, emoties en gedrag adequaat te reguleren en toe te komen aan zich ontwikkelen.

Voor opvoeders kan het helpend zijn om te blijven beseffen dat de kern van traumatische ervaringen het verlies aan controle is. Naast het “opruimen” van de sensaties en emoties die samenhang met het trauma en/of het verlies is dan ook het essentieel voor het kind om weer grip en vertrouwen te krijgen in zichzelf, en in de omgeving. Samen met opvoeders en andere betrokkenen werken we in onze behandeling eraan dat het kind “’binnen het raampje” kan blijven, de hersenstam weer tot rust komt en het kind weer kan toekomen aan nieuwe ontwikkelingstaken.